Staatsobligaties en VvE aandeel gelden in box 3 als overige bezittingen

schedule 10 dec 2025
bookmark_border



Hof Den Haag oordeelt dat staatsobligaties en een VvE-aandeel als overige bezittingen
kwalificeren. Het lagere fictieve rendement voor bank- en spaartegoeden is daarom
niet van toepassing.




Een belastingplichtige krijgt voor 2019 een aanslag ib/pvv opgelegd berekend naar
een inkomen uit sparen en beleggen van € 88.342 op basis van het Besluit rechtsherstel
box 3. Tot zijn vermogen behoren negatief renderende buitenlandse staatsobligaties
ter waarde van ruim € 1 miljoen en een aandeel in een VvE ter waarde van € 4.405.
De inspecteur past op beide vermogensbestanddelen het rendement voor overige bezittingen
toe van 5,59%. De man stelt dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hij
meent dat staatsobligaties en banktegoeden qua risicoprofiel en rendement vergelijkbaar
zijn. Het is volgens hem disproportioneel dat aan staatsobligaties een fictief rendement
van 5,59% wordt toegekend, terwijl het fictief rendement op banktegoeden slechts 0,08%
bedraagt. Voor het VvE-aandeel geldt volgens de man dat dit als banktegoed moet worden
aangemerkt omdat de VvE fiscaal transparant is. De man vraagt om verlaging van het
inkomen uit sparen en beleggen tot € 32.049. Het werkelijk behaalde rendement is hoger
dan het forfaitaire rendement volgens de Herstelwet.


Geen gelijke gevallen tussen obligaties en banktegoeden Hof Den Haag oordeelt dat op de staatsobligaties en het VvE-aandeel niet hetzelfde
fictieve rendement mag worden toegepast als op banktegoeden, omdat geen sprake is
van gelijke gevallen. Het houden van banktegoeden en het beleggen in obligaties zijn
geen gelijke gevallen. Voor banktegoeden gelden andere wettelijke regels dan voor
obligaties, welke regels mede van invloed zijn op het risicoprofiel en het rendement.
Er is daarom geen sprake van verboden discriminatie tussen spaarders en beleggers
in staatsobligaties. Hetzelfde geldt voor het VvE-aandeel. Ook hiervoor gelden andere
wettelijke regels dan voor banktegoeden. Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 juni
2024 volgt bovendien dat een VvE-aandeel als overige bezitting moet worden aangemerkt.


Geen schending gelijkheidsbeginsel De box 3-heffing leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel bij iedere heffing
naar een voordeel dat hoger is dan het werkelijke rendement. Dat is bij de man niet
het geval, aangezien hij in 2019 een werkelijk rendement heeft behaald dat uitstijgt
boven het forfaitair rendement volgens de Herstelwet. De aanslag is niet te hoog vastgesteld.
Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


Bron: Hof Den Haag 16-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2401
Wet: art. 5.2 Wet IB 2001


https://www.fiscaalinfo.nl/document/p1-1099127